Kapitein Dubbelhoofd en Kapitein Trippelhoofd

 
 
 


Kapitein Dubbelhoofd
en
Kapitein Trippelhoofd

(Dubbelhoofd
3)


Pagina
9 van 12

ga direct naar:

1   2   3   4

5   6   7   8

9   10  11  12

 


(c) Het WWCW 2004
Tekst: Jorn van de Wetering

 

 

 

Gravure -|- edits: Friso Geerlings © het WWCW 2004

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gravure -|- edits: Friso Geerlings © het WWCW 2004

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gravure -|- edits: Friso Geerlings © het WWCW 2004

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gravure -|- edits: Friso Geerlings © het WWCW 2004

apitein Dubbelhoofd keek op. En keek weer naar beneden. Hij opende zijn mond, krabte met zijn voortanden over zijn onderlip en sloot zijn mond weer. Weer keek hij op.
‘Ellendige zeeleeuw dat het ook is…,’ mompelde hij.
‘Helemaal mee eens, kapitein Dubbelhoofd!’ zei Gustav Lof, ‘Helemaal mee AUW!’ Want Kenny Noeth had hem zojuist een harde trap tegen zijn schenen gegeven.
‘Ojeetje,’ gilde Ton Panieck, ‘Hoe gaan we hier ooit uitkomen? We zitten als ratten in de val, dit is het einde! Ojeetje!’
‘Sssst,’ zei Rolander van ’t Zijl, ‘Beheers je alsjeblieft een beetje, Ton.’
‘Nee,’ zei Kapitein Dubbelhoofd, ‘Ton heeft gelijk, we zitten hier als ratten in de val. Kapitein Trippelhoofd zal ons niet snel meer laten gaan. Ik ken mijn broer.’
‘Uw… BROER?’ riep de hele voormalige bemanning van de Halve Maen in koor.
‘Ja,’ zei Kapitein Dubbelhoofd. ‘Kapitein Trippelhoofd, de meest wrede kapitein van de zeven zeeën, is mijn broer.’
Iedereen keek Kapitein Dubbelhoofd met open mond aan. Niemand sprak. Niemand kon iets uitbrengen. Niemand wist wat hij moest uitbrengen.
Gelukkig hoefde niemand te bedenken wat hij moest uitbrengen, want de stilte werd doorbroken door een geluid. Drie geluiden eigenlijk, elkaar snel opvolgend.
Tok tok tok.
‘Pssst, Kapitein Dubbelhoofd,’ zei de geheimzinnige stem aan de andere kant. ‘Het is zover, ik kom u bevrijden. Is de kust veilig?’
‘Dat weet ik niet,’ zei kapitein Dubbelhoofd, ‘We zijn er hier op volle zee immers nogal ver vandaan.’
‘Goed,’ zei de geheimzinnige. ‘Kunt u zover mogelijk naar beneden bukken? Het zal er heel even wild aan toe gaan, namelijk.’
‘Bukken, jongens,’ zei Kapitein Dubbelhoofd. Iedereen boog zover als hij kon naar voren, voorzover de boeien, kettingen, touwen en andere ketens hen dat toelieten.
‘We zijn klaar,’ zei Kapitein Dubbelhoofd.
‘Juist,’ zei de geheimzinnige. ‘Wacht even en zet je schrap.’
‘Ojeetje!’ gilde Ton Panieck.

an de andere kant van de wand hoorden ze nu een sissend geluid. Het duurde een aantal tellen en toen was het weer weg.
Heel even hoorden ze niets.
En toen kwam met een harde KNAL! de wand die de geheimzinnige al die tijd gescheiden had van Kapitein Dubbelhoofd in duizenden stukjes door de kamer vliegen. Deze werd gevuld met de rook die de ontploffing teweeg had gebracht. Hoestend en proestend probeerde iedereen de stukken hout van zich af te vegen. Toen de rook een weinig was opgetrokken keek Mex Mellens op en zag hij hun bevrijder.
‘Patav den Oester!’ riep hij. ‘De vader van Talvan den Chanbeur, heu… Chan van den Beurtal! Schitterend!’
‘Ja, ik ben Patav den Oester,’ zei Patav den Oester. ‘Kapitein Trippelhoofd hield mij hier gevangen, om voor hem de meest vreselijke uitvindingen te maken. Uitvindingen waarmee hij de Vliegende Hollander wilde uitrusten. Ik wilde tegenwerken, maar ze dreigden mijn dochter iets aan te doen.’
‘Wij hebben uw dochter onlangs nog gezien,’ zei Rolander van ’t Zijl. ‘Wees gerust, want alles was toen nog goed.’
‘Echt?’ zei Patav den Oester. ‘Waar is ze nu? Is ze hier?’
‘Nee,’ zei Rolander van ’t Zijl. ‘We weten niet waar ze is, ze is met een sloep overboord gezet. Maar waarschijnlijk is ze er beter aan toe dan wij.’
‘Ja,’ zei Kapitein Dubbelhoofd, ‘En over ons gesproken, is het misschien mogelijk deze kettingen ergens anders te hangen dan helemaal om mij heen?’

emand moet die klap gehoord hebben,’ zei Rolander van ’t Zijl, terwijl iedereen losgemaakt werd ‘Ze zullen zo komen.’
Hij was nog niet uitgepraat, of er klonk gemorrel aan het sleutelgat. ‘HEY,’ hoorden ze, ‘WAT IS DAT DAAR?’
Patav den Oester drukte zijn vinger tegen zijn mond, ten teken dat ze moesten zwijgen. Weer klonk er gemorrel.
‘Welke sleutel is het nou?’ vroeg de piraat aan de andere kant.
‘DEZE! IDIOOT!’ riep de andere piraat. Weer klonk er gemorrel, de deurklink ging omlaag, de deur zwierde open en… de twee piraten vielen recht in de armen van Matroos Gijs. Die klopte hun koppen tegen elkaar, waarna ze beiden buiten westen op de grond vielen.
‘Indrukwekkend,’ zei Kenny Noeth. ‘Zeer indrukwekkend.’
‘Kom mannen,’ zei Kapitein Dubbelhoofd, ‘Dit is onze kans! We zullen die akelige aalvreter eens een les leren die hij niet snel zal vergeten.’
‘We kunnen onze groep het beste opsplitsen,’ zei Patav den Oester. ‘Dat vergroot onze kansen.’
Kapitein Dubbelhoofd nam de twee piraten hun pistolen af en gooide er een naar Rolander van ’t Zijl.
‘Waar is Kapitein Vendervan nu?’ vroeg Kapitein Dubbelhoofd hem.
‘Ze hebben hem verder de gang ingevoerd,’ zei Rolander van ’t Zijl. ‘Naar de linkerkant toe.’
Kapitein Dubbelhoofd knikte: ‘Rolander, neem jij dan Maerk, Kenny, Ton en Gijs mee naar de die kant van de gang om Kapitein Vendervan te redden, dan ga ik met Patav, Mex en Gustav de rechterkant verkennen om af te rekenen met kapitein Trippelhoofd.’
‘Hier,’ zei Patav den Oester tegen Rolander van ’t Zijl. ‘Neem deze mee.’ Hij gaf Rolander een roze schelp. Verbijsterd kijkend nam de voormalige stuurman van de Halve Maen het kleinood aan.
‘Wat moet ik hiermee?’ vroeg hij.
‘Het is een Lispeltuut,’ zei Patav den Oester. Hij haalde nog eenzelfde roze schelp uit zijn zak tevoorschijn. ‘Als je erin praat, dan kunnen wij je horen en omgekeerd. Vroeger zat er een draadje tussen, maar ik heb ze draadloos gemaakt.’
‘Veel succes, maatjes!’ riep Kapitein Dubbelhoofd.
‘Is goed, kapitein Dubbelhoofd,’ zei Rolander van ’t Zijl. Hij legde zijn hand op de schouder van de kapitein. ‘Goed u er weer bij te hebben, Kapitein Dubbelhoofd.’
‘Jajaja, dat sentimentele gedoe komt later wel,’ zei Kapitein Dubbelhoofd, ‘We hebben werk te doen. Als de donder aan de slag!’

ex Mellens haalde Patav den Oester in terwijl ze door de gang liepen. ‘Excuseer Patav,’ zei Mex Mellens, ‘Mag ik vragen wat dat is dat je daar draagt?’ vroeg Mex Mellens, wijzend naar wat op een klein kanon leek.
‘Dit?’ vroeg Patav, wijzend naar het kleine kanon. ‘Dit is een geheime uitvinding, het Portokanon. Bijzonder handig in gevallen als deze.’
‘Ja, zeker,’ lachte Mex Mellens. ‘Heb je hem zelf bedacht?’
‘Deze wel,’ zei Patav den Oester. ‘Meestal is het zo dat de ontwerper zijn wensen aan mij kenbaar maakt, en ik werk dat verder uit en besluit wat ik kan doen met de technische wensen. Je gaat bewegingen bedenken, je gaat figuren bedenken, al met al gaat dat samenvloeien, het valt samen op een gegeven moment en dan krijg je daaruit een bepaald effect en dat kan een bittere teleurstelling zijn en dat kan een onverwachts groot succes zijn. Hoe doe jij dat dan?’
‘Ik werk dan met Maerk in een uitgebreid teamverband,’ zei Mex ‘En in dit teamverband gebeuren de mooiste dingen en daar ontwikkelt iedereen, niet direct vanaf een tekening of vanaf een stukje papier, men heeft een idee, Kapitein Dubbelhoofd heeft een idee en die zegt ‘Nou, ik zou eigenlijk best willen dat dat en dat er gebeurde, dat er masten gaan bewegen en dat er een schip zweeft in de ruimte.’ Nou, die technieken hebben we. Dan kijken ’s avonds naar de zee met een kladblok op mijn knie ga ik de techniekjes zitten tekenen. Da’s geweldig, dan ga je tussen de bemanning staan en dan luister je naar hun reakties en dan ben je apetrots, want die reakties zijn zo spontaan.’

Naar de vorige pagina   Naar de volgende pagina

 
 

Tekst: Jorn van de Wetering