Kapitein Dubbelhoofd en Kapitein Trippelhoofd

 
 
 


Kapitein Dubbelhoofd
en
Kapitein Trippelhoofd

(Dubbelhoofd
3)


Pagina
12 van 12

ga direct naar:

1   2   3   4

5   6   7   8

9   10  11  12

 


(c) Het WWCW 2004
Tekst: Jorn van de Wetering

 

 

 

Gravure -|- edits: Friso Geerlings © het WWCW 2004

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

et heeft… geen zin… broertje,’ lachte Kapitein Trippelhoofd. ‘Leuk… geprobeerd… maar helaas.’
Iedereen draaide nu naar Kapitein Dubbelhoofd. ‘Jij vervloekte algvreter,’ zei deze. ‘Wat denk je hiermee te gaan bereiken? Wil je ons allemaal voor de rest van onze levens hier houden?’
Alle hoofden draaiden weer naar Kapitein Trippelhoofd. ‘Niet hier… ik zat eerder te denken aan… een onbewoond eiland,’ lachte die. ‘Het zal… gezellig… worden. Alle bemanningen… die van de Hellendoorn… de Zes Vlaggen… de Carribean samen. En ik heb… mijn eigen… piratenvloot.’
Alle ogen waren wederom gericht op Kapitein Dubbelhoofd. ‘Jij vervloekte…’ zei hij. Zijn hoofd was aan het opzwellen. ‘Hier kom je niet mee weg! Ik krijg je nog wel!’ Het bovenste knoopje van zijn jas knapte door het opzwellen van zijn nek.
Kapitein Trippelhoofd begon te lachen. Die lach kwijnde echter bliksemsnel weg, toen hij achter zich een voor hem en Kapitein Dubbelhoofd zeer bekende stem hoorde zeggen.
‘Maar eerst moet ik je broer eens een goede les leren.’
Alle in het vertrek aanwezige personen draaide hun hoofd naar de persoon die dat gezegd had. En daar stond hij, de lange, oude man, met in plaats van de gebruikelijke lap, hoed, steek of andere zeemanshoofddeksels een indianentooi op zijn hoofd.
‘Papa!’ riep Kapitein Dubbelhoofd.
‘Ja,’ zei de man, ‘Ik ben het, jullie vader. Kapitein Opperhoofd.’
Vol spanning keek het publiek dat bestond uit piraten, Kapitein Vendervan en de bemanning van Kapitein Dubbelhoofd toe naar wat er komen ging.
‘Maar… we dachten… dat je…,’ zei Kapitein Dubbelhoofd.
‘Praat niet als je broer, Zwelgje,’ zei Kapitein Opperhoofd. ‘Ik ben naar het beloofde land in het westen geweest, maar heb de schatten die ik ging zoeken daar niet gevonden. Terwijl ik er naar zocht echter, bedacht ik me dat ik die schatten altijd al gehad had. Dat die gewoon thuis waren. Jullie moeder, jij en bij tijd en wijle ook af en toe je broer.’
‘Ik kan… alles… uitleggen!’ huilde Kapitein Trippelhoofd. ‘Geef me… nog een kans… papa!'

aar Kapitein Opperhoofd ging ongestoord verder. ‘Toen ik terug kwam en hoorde van de dreiging die de zeven zeeën teisterde, had ik al direct mijn vermoedens.’ Hij keek hoofdschuddend naar Kapitein Trippelhoofd. ‘Het is vervelend wanneer die weer eens blijken te kloppen.’
‘En…wat… nu?’ zei Kapitein Trippelhoofd nonchalant. ‘Wat… ga je… nu doen?’
Kapitein Opperhoofd pakte Kapitein Trippelhoofd bij het rechteroor van zijn meest rechtse hoofd. ‘Jij vlegel! Ik neem je mee naar mijn schip en ga je daar nog eens wat extra opvoeding geven!’
‘Auw!.. Auw!.. Auw!’ gilde Kapitein Trippelhoofd.
Kapitein Opperhoofd wendde zich tot Kapitein Dubbelhoofd.
‘Ik ben trots op je, Zwelgje!’ Met het oor van Kapitein Trippelhoofd in zijn linkerhand gaf de getooide kapitein zijn zoon met zijn rechterarm een omhelzing.
‘En nu?’ vroeg Kapitein Dubbelhoofd. ‘Hoe kunnen we hier wegkomen?’
‘Ik heb met mijn schip de hele basis onder schot,’ zei Kapitein Opperhoofd. ‘Zelfs De Vliegende Hollander, van Trippeltje hier vliegt zo naar de kelder wanneer de kannonnen van mijn schip, de Volle Maan, beginnen te vuren.’
‘Gelukkig maar,’ lachte Kapitein Dubbelhoofd opgelucht, ‘Nou, Trippeltje, dan zien we maar weer wie er gewonnen heeft.’
Woest rukte Kapitein Trippelhoofd zich los uit de greep van zijn vader en riep. ‘Jij niet… in ieder… geval!’ Hij rende naar de sokkel waarop de Gristalbol lag, griste die er vanaf en gooide de bol naar Kapitein Dubbelhoofd. Mex Mellens sprong naar voren om Kapitein Dubbelhoofd weg te duwen, maar het was al te laat. De bol kwam op de planken vloer, vlak voor de voeten van Kapitein Dubbelhoofd met een oorverdovend geklingel tot stilstand. Uit de bol kwam een explosie van licht, in een ontlading die nog feller was dan het licht van de zon. Eerst werd iedereen naar de lichtexplosie toe gezogen, maar de zuigkracht werd omgezet in een bolvormig krachtveld dat iedereen weer wegblies. Op bruuske wijze kwamen alle in het vertrek aanwezige personen tegen een van de wanden, de vloer, het plafond, de balustrade, de sokkel of elkaar tot stilstand.
Toen Kenny Noeth opkeek zag hij op de plaats waar de bol zojuist tot ontploffing was gekomen enkel nog een rookwolk. Kapitein Dubbelhoofd zag hij echter niet meer.
‘Waar is Kapitein Dubbelhoofd?’ riep Rolander van ’t Zijl.
‘Ojeetje,’ riep Ton Panieck.
‘Onvergeeflijk,’ riep Kapitein Opperhoofd tegen Kapitein Trippelhoofd. ‘Onvergeeflijk, hoor je me, dit is onvergeeflijk.’ Hij verkocht zijn zoon een harde, doch om zinloos geweld te voorkomen, nog steeds belerende tik.
‘Dit kan niet waar zijn…,’ zei Chan van den Beurtal (in een keer goed) bedeesd.
‘En Mex?’ riep Maerk ten Stoppel. ‘Waar is Mex Mellens?’
Iedereen keek om zich heen. Ook Mex was nergens te zien.
‘Hij wilde de kapitein wegduwen,’ zei Rolander van ’t Zijl.
‘Ze zullen… ze zullen toch niet dood zijn?’ vroeg Kenny Noeth.
‘Maar… waar zijn ze dan?’ vroeg Rolander van ’t Zijl. ‘Ze kunnen toch niet zomaar verdwenen zijn?’
‘Ojeetje,’ gilde Ton Panieck.

e stemming in het vertrek was ineens zeer bedrukt. Een paar momenten geleden had alles er nog zo goed voorgestaan en nu waren twee van hun beste vrienden zomaar ineens van hen weggenomen.
En toen zei Ton Vendervan, meer alsof het een mededeling was dan een hoopvolle uitspraak: ‘Ze zijn niet dood.’
Iedereen draaide zich naar de oude kapitein, die deze zo bemoedigende woorden had gesproken.
‘Hoe weet je dat zo zeker?’ vroeg Kapitein Opperhoofd.
‘Omdat ik dat weet, omdat ik hen al eens eerder gezien heb,’ glimlachte de immer mysterieuze kapitein. ‘Net zoals jullie hen weer zullen zien.’
‘Bedoel je toen we je terug hebben gebracht naar Djofri?’ vroeg Rolander van ’t Zijl.
‘Nee,’ glimlachte Ton Vendervan. ‘Nog daarvoor. Nog veel verder daarvoor. Geloof mij op mijn woord als ik zeg dat jullie ze weer zullen zien. De cirkel is bijna rond.’

~ Einde - voor nu althans ~
 

Waar of wanneer Kapitein Ton Vendervan onze onverschrokken en heldhaftige Kapitein Dubbelhoofd eerder heeft gezien én wat daar zo bijzonder aan is, lees je ook op het Wonderlijke WC Web - over enige tijd dan, om precies te zijn.

Naar de vorige pagina

 
 

Tekst: Jorn van de Wetering