Kapitein Dubbelhoofd  en de schat van Djofri - 3

 
 
 


Kapitein Dubbelhoofd
en de schat van Djofri

(Dubbelhoofd 1)


Pagina 3 van 7

ga direct naar:

1   2   3

4   5   6   7

 


(c) Het WWCW 2001


 

 

 

Fragment zeekaart uit 1562 - Scan: Library of Congress, Washington D.C. (www.loc.gov)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fragment zeekaart uit 1562 - Scan: Library of Congress, Washington D.C. (www.loc.gov)

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

Fragment zeekaart uit 1562 - Scan: Library of Congress, Washington D.C. (www.loc.gov)

De wolken werden steeds donkerder en ’s avonds begon de eerste regen te vallen. Het begon flink te onweren en te bliksemen en er stak een flinke storm op. De bemanning van de Halve Maen deed haar uiterste best om het schip toch varende te houden. Dit bleek een hele opgave. Er waren stevige rukwinden en het schip schommelde akelig op en neer. Maar tegen de ochtend ging de storm weer liggen, zodat de bemanning ook de gelegenheid kreeg om even wat te rusten, want dat hadden ze de hele nacht nog niet gedaan. Kapitein Dubbelhoofd lag net rustig in zijn bed, toen er opeens een kreet klonk vanaf het dek. Hij trok snel wat kleren aan en ging kijken wat er aan de hand was. Maar toen hij op het dek bij Ton Panieck en Bullevis kwam hoefde hij dit niet meer te vragen. Voor hen lag een ander schip. Het kwam kapitein Dubbelhoofd bekend voor. Het was de ‘Slaghaar’, het schip van zijn vriend kapitein Bemboom, maar het was bijna niet meer herkenbaar. De zeilen en een groot deel van het dek waren uitgebrand en het geheel zag er verlaten uit.
“Wat is hier gebeurd, is dit het werk van de storm van vannacht?”, vroeg hij.
“Ik denk het niet, ik kan het me niet voorstellen. Volgens mij is hier kwade opzet in het spel”, mompelde de blinde vreemdeling, die zich bij hen had gevoegd. “Ik heb nog nooit van een storm gehoord die zoiets aanrichtte”.
“Ik stel voor dat we een kijkje aan boord nemen, kapitein Dubbelhoofd”, zei Bullevis voorzichtig.
“Dat is misschien wel een idee”, zei de kapitein, “Geen goed, maar het is een idee. Gijs en Kenny gaan met me mee. De rest blijft hier.”
“Mag ik ook met u mee?”, vroeg de blinde vreemdeling.
De kapitein keek hem achterdochtig aan. Hij vertrouwde de man niet helemaal, er was iets raars met hem. Bovendien, wat zou een blinde man in vredesnaam te zoeken hebben op een uitgebrand galjoen? Wat zou hij kunnen opmerken dat hij, Gijs of Kenny niet zouden kunnen zien?
“Waarom, wat zou jij ons nu te bieden kunnen hebben?”, vroeg de kapitein.
“Ik mag dan wel blind zijn, maar ik ben niet stom. Bepaalde dingen die u zouden ontgaan, zou ik eerder opmerken.”
Hier had misschien wel gelijk in, en kapitein Dubbelhoofd besloot hem het voordeel van de twijfel te gunnen.
“Nou, vooruit dan maar.”, zei hij.

En dus gingen zij vieren via de loopplank aan boord van de ‘Slaghaar’. Geen mens. Het zag er maar spookachtig uit. Op het dek waren nog nasmeulende resten te zien. Het was duidelijk dat dit niet het werk was van een storm, maar dat er kwade opzet in het spel was viel nu niet meer te ontkennen.
“Blijf jij hier Kenny, wij gaan naar binnen, roep maar als je iets verdachts ziet”, zei kapitein Dubbelhoofd.
Kapitein Dubbelhoofd, Gijs en de blinde vreemdeling gingen via de deur naar binnen en kwamen in een slecht verlicht vertrek terecht. Het was de kapiteinshut, maar het was duidelijk wat hier gebeurd was. Alles was overhoop gehaald, kandelaars waren van de wanden getrokken en de sporen van plundering waren duidelijk zichtbaar.
“Piraten, kapitein Dubbelhoofd, dit is het werk van Piraten”, bracht Gijs ongerust uit.
“Dat zie ik”, zei de kapitein.
“Stilte, vrienden, ik voel nog een aanwezigheid in dit vertrek”, zei de blinde.
Hij snoof een keer, alsof hij met zijn neus die aanwezigheid kon ruiken, greep naar zijn wandelstok en stook hem ineens recht vooruit, waarbij hij kapitein Dubbelhoofd bijna raakte.
“Daar!”, riep hij.
 
Kapitein Dubbelhoofd en Gijs keken allebei in de richting die de vreemdeling had aangewezen. Er lag daar een grote kast die omgevallen was. Voorzichtig liep Gijs in de aangewezen richting. Toen hij bij de kast was keek hij voorzichtig of er wat onder lag.
“Kom snel, kapitein Dubbelhoofd!”, riep Gijs terwijl hij onder de kast keek, “Het is kapitein Bemboom.”
“Hossende Haaien, leeft hij nog?”, vroeg kapitein Dubbelhoofd, terwijl hij toe kwam snellen.
“Ik weet het niet, help me even mee die kast op te tillen”.
Gijs, de blinde en kapitein Dubbelhoofd tilden samen de kast op en eronder lag inderdaad kapitein Bemboom. Hij had zijn ogen dicht en zijn kleren waren doorweekt met bloed.
“Hij zal toch niet…”, stamelde kapitein Dubbelhoofd.
Maar de blinde bukte zich en voelde aan de nek van kapitein Bemboom.
“Hij leeft nog, maar hij zal het niet lang meer maken”, zei hij.
“Bemboom, Bemboom, kun je me horen? Ik ben het, Dubbelhoofd. Je krijgt nog een vat rum van me.”
Dat leek kapitein Bemboom wel te verstaan. Hij opende langzaam zijn ogen en toen hij het gezicht van Dubbelhoofd zag verscheen er een lach op zijn gezicht.
“Dubbel… Dubbelhoofd…”, bracht hij uit, “Wanneer was… was je van plan dat te…te geven?”
“Hier, oude vriend, neem hier maar een slok van”, zei kapitein Dubbelhoofd, terwijl hij een fles rum tegen de mond van kapitein Bemboom zette. “Maar bij Triton, wat is hier gebeurd?”
Kapitein Bemboom begon te proesten. Zijn gezicht was spierwit.
“Een gevecht…zwaardgevecht…in mijn buik gestoken…verschrikkelijk…piraten…”, zei hij met de grootste moeite.
“En de bemanning?”, vroeg Gijs.
“Gevlucht…in de sloepen…verschrikkelijk…”, zei kapitein Bemboom.
“Maar welk schip?”, vroeg kapitein Dubbelhoofd.
“Het was… het was…”, zei kapitein Bemboom, maar hij kneep zijn ogen dicht en begon bloed te spuwen, “Het was…de…de…k….k.kk…k…”. Kapitein Bembooms hoofd viel naar achteren en hij zei niets meer.
De blinde man voelde nogmaals aan zijn nek, maar Gijs en kapitein Dubbelhoofd hadden het al gezien. Er was niets meer wat voor kapitein Bemboom gedaan kon worden
.

Naar de vorige pagina   Naar de volgende pagina

 
 

Tekst: Jorn van de Wetering